
Een fabel: Niets kan alleen bestaan
Dieren Fabels van Jan B. BouwstraDe uil had op een dag ontdekt dat hij bestond. Hij concludeerde dat, omdat hij de tijd met denken vulde. Dat kon alleen als je bestond, vond hij.
Hij vermoedde dat zijn bestaan iets was waar hij in kon verdwijnen, zodat hij daarbuiten niet te vinden was. Dat had zijn voorkeur.
De uil had de kwestie van zijn bestaan in gedachten al helemaal rond en aan de merel en de brilslang uitgelegd, toen de merel vroeg: ‘Leuk zeg, uil. Maar wat is dat dan, bestaan. Kun je ook niet bestaan?’
De uil keek naar de merel met ogen die haar niet langer herkenden, en verzonk in diep gepeins. Hij had geen idee.
Maar de brilslang kon er wel iets over zeggen: ‘Dat zullen we nooit weten, merel.’
‘Hoezo niet?’
De brilslang boog zijn kopje naar de merel toe en zei op gedempte toon: ‘Om te kunnen zien wat het bestaan is, hebben we heel veel licht nodig. Zoveel zelfs dat het bestaan erin zou verbranden.’
De brilslang keek nu naar de uil die nog steeds in diep gepeins verzonken was, en fluisterde: ‘Bij het denken van de uil is er van zoveel licht dat er iets in gaat verbranden absoluut geen sprake.’
Diezelfde avond lagen de brilslang en de merel op hun rug te kijken naar een zwartfluwelen hemel, vol met flonkerende sterren, als spelden op een speldenkussen, en de brilslang zei ineens: ‘Toch klopt het niet.’
De merel vroeg: ‘Die sterren kloppen niet, zit je ze te tellen?’
‘Nee, er klopt iets niet aan wat de uil vertelde.’
‘Verbaast me niets,’ zei de merel.
‘Want ik denk,’ zei de brilslang, ‘dat het bestaan van de uil niet alleen van hem is.’
‘Dat zal hij niet leuk vinden.’
‘Weet je waarom?’
De merel hield haar kopje schuin en wachtte af.
‘Weet je waarom?’
‘Nee natuurlijk niet.’
De brilslang glimlachte en zei: ‘Nou, want alles wat bestaat, bestaat alleen omdat er iets anders naast bestaat.’
‘Je moet het even zonder mij doen,’ zei de merel vermoeid.
‘Het zit zo,’ zei de brilslang, en hij zette zijn bril recht en keek naar de hemel, ‘het licht van de sterren bestaat alleen omdat het daaromheen donker is.’
‘Anders zagen we die sterren niet?’
‘Precies, en zo is het met alles. Wanneer ik mij eenzaam voel ’s nachts, dan komt dat doordat het stil is en ik niets kan zien. Zonder die nacht om mij heen was er in mijn hoofd geen eenzaamheid.’
De merel knikte, haar veren glansden en haar ogen smulden van de woorden van de brilslang, en de brilslang zei: ‘Dus het bestaan van de uil zou er zonder ons, ik bedoel zonder het bestaan van iets anders, niet zijn geweest.’
De merel zei: ‘De uil zoals hij nu is.’
‘Precies. Zoals hij nu is, dat heeft hij aan ons te danken.’
Het bleef lang stil en de brilslang rook een muis die in de buurt moest zijn, terwijl de merel een rups met haar gele snavel oppikte en doorslikte. Die had meegeluisterd, dan vraag je om problemen.
De brilslang zei: ‘Jij snapt het volgens mij. Niets is alleen. Alles co-existeert.’
De merel probeerde het te onthouden.
De brilslang kreeg slaap en bedacht, dat het de stilte om hem heen was, die maakte dat hij zijn eigen woorden hoorde. Maar waarom hij zoveel begreep?
Hij zag de merel vragend naar hem kijken.
En vroeg zich af of dat het was.
Jan B. Bouwstra schrijft elke week een fabel voor de website van De Nieuwsbode, die iets te maken heeft met onderwerpen die op dit moment actueel zijn. Meer fabels lezen? Je vindt ze in ons dossier Fabels van Jan B. Bouwstra