
Een fabel: Een dwaalspoor van het denken
Dieren Fabels van Jan B. BouwstraDe neushoorn lag in de droge bedding van de beek te genieten van de uren, die zonder enige opdracht naar hem werden toegewaaid, terwijl zijn hoofd zich met gedachten vulde.
Hij bedacht bijvoorbeeld dat hij een leven aan het verspillen was, dat nuttig had kunnen zijn. En had er vrede mee. Je kunt niet alles hebben, hij was geen mier, en sloot zijn ogen.
Maar ineens klonk er getetter, de olifant kwam met zijn slurf omhoog aanlopen en riep: ‘Een kwartje voor je gedachten, Neus!’
De neushoorn deed of zijn neus bloedde. De olifant boog zich voorover naar de neushoorn en zei: ‘Laat mij raden… Neus…’
De neushoorn schudde zijn hoofd.
‘Niet raden?’
De neushoorn knikte.
De olifant haalde adem en zei: ‘Jij dacht dat het leven niet naar jou toe wilde komen, Neus. Zo leek het van een afstand.’
‘Huh.’
‘En daarom ben ik naar jou toegerend.’
‘Toe maar.’
De neushoorn krabbelde overeind en keek de olifant aan. Wat school er toch in dat grote, grijze lijf dat steeds als een magneet naar hem werd toegetrokken. Het was de vriendschap van de olifant, en het achtervolgde hem voortdurend. Het was een last, het liet niet los.
De olifant zei grijnzend: ‘Ik zie in die kleine oogjes van jou iets glinsteren, Neus, ik zie dat je iets van plan bent, leg uit, ik ben je maat!’
En hij sloeg met zijn slurf tegen de billen van zijn vriend, waar het stof van de droge bedding uit opstoof, en wachtte af.
De neushoorn dacht na, de zon was fel en de lucht trilde en hij rook de klei en de geurende jasmijn, en hij kreeg rillingen zo gauw hij de olifant zag.
En ineens begreep hij dat alles om hem heen, dat wat hij zag en hoorde en voelde, een deel was van hemzelf.
Het leven hoefde dus niet langs te komen, niet op hem af te rennen, het zat al in zijn ogen, zijn oren, zijn hart, en in zijn huid, en kon daar niet meer uit verdwijnen.
En de neushoorn zei opgelucht: ‘Het maakt niet uit, Ollie, dat het leven niet op mij afkomt.’
‘Niet?’
“Nee, de dieren en de planten om mij heen bezitten mij al, en andersom bezit ik hen.’
De olifant stond de neushoorn aan te staren terwijl zijn onderkaak naar beneden zakte: ‘Dat begrijp ik niet, Neus.’
De neushoorn kon wel juichen: ‘Klopt!’
‘Hoezo klopt?’
‘Jij bezit mij, als een onderdeel van jouw omgeving. Maar zonder dat je ook maar iets van mij begrijpt, dat begrijpen ontbreekt.’
De olifant keek of hij vuur zag branden.
De neushoorn kneep zijn ogen klein en zei: ‘En dat is maar goed ook, dat je mij niet begrijpt. Want het begrijpen is een dwaalspoor van het denken, een illusie.’
De olifant sloot zijn mond en voelde zich erg gewoontjes.
De neushoorn ging met een plof liggen en de olifant aarzelde, maar zakte toch ook door zijn knieën. Hij hoopte wel dat hij weer overeind kwam.
De neushoorn boog zijn hoofd naar de olifant toe: ‘Het zit zo, Ollie. Als ik iets tegen jou zeg, dan hoor je dat met je eigen oren. Je hoort alleen wat jij graag wilt horen. Dat is het dwaalspoor dat je volgt, wanneer je mij wilt begrijpen.’
De olifant knikte bedeesd.
De neushoorn zei: ‘Daarom, als je iets echt wilt snappen, Ollie… zou je dat willen?’
De olifant knikte, en de neushoorn zei triomfantelijk: ‘Dan moet je, om iets echt te begrijpen, precies de andere kant op.’
‘Horen wat ik eigenlijk niet zou willen horen?’ probeerde de olifant voorzichtig.
‘Precies, Ollie, niet door je eigen ogen kijken, maar door de ogen van de ander, om zo te zien wat je liever niet wilt zien. Daar begint het begrijpen.’
De olifant knikte onzeker, blij met alles wat de neushoorn vertelde.
Maar er was godsgruwelijk veel werk aan de winkel.
Om het te snappen.
Jan B. Bouwstra schrijft elke week een fabel voor de website van De Nieuwsbode, die iets te maken heeft met onderwerpen die op dit moment actueel zijn. Meer fabels lezen? Je vindt ze ons dossier Fabels van Jan B. Bouwstra