
Een fabel: De nachtzwaluw
Dieren Fabels van Jan B. BouwstraHet was nacht, en de smaragdhagedis zat op het mos en keek omhoog naar de onverzoenlijke eenzaamheid van een verlaten sterrenhemel. En hij dacht na over wanneer hij er niet meer zou zijn.
Het zijn van iets doods waar de wind klagend doorheen floot, zat hem niet lekker. Hij kreeg het benauwd bij die gedachte en ging steeds langzamer bewegen.
Totdat de nachtzwaluw opdook uit het donker, om naast hem te gaan zitten op het mos.
De smaragdhagedis mompelde: ‘Alles wat om mij heen gebeurt is niet te begrijpen.’
De nachtzwaluw vloog altijd ’s nachts, en was een meester in het ontwijken van dingen die hij niet begreep. Hij keek de hagedis met zijn pientere oogjes aan en vroeg: ‘Wat begrijp je niet?’
‘Wat ik zal zijn wanneer ik er niet meer ben. Ik heb geen idee.’
De nachtzwaluw leefde alleen in het hier en nu, dat gerieflijk om hem heen sloot, en daarbuiten was het donker.
De smaragdhagedis zei: ‘Ik wil weten wat ik ben wanneer ik er niet meer ben.’
De nachtzwaluw aarzelde en de hagedis zei: “Want ik denk dat ik dan iets onbegrijpelijks ben.’
De nachtzwaluw vroeg: ‘Hoe ziet iets onbegrijpelijks eruit?’
De smaragdhagedis probeerde: ‘Als een boek waarin de regels zijn weggelakt.’
‘Staatsveiligheid?’
De kleuren van de smaragdhagedis werden dof, hij knikte en miste de brilslang op dit soort momenten.
Ineens hoorde de smaragdhagedis de mol naar boven komen, die al vanonder de grond riep: ‘Ga eens aan de kant, ouwe jongen, ik kom eraan, de mol.’
De smaragdhagedis schoof opzij, en ook de nachtzwaluw maakte plaats zodat de mol ertussen paste.
Hij deed zijn graafhandschoenen uit, rook aan de avondlucht, nam de hagedis in zich op en zei: ‘Ik dacht dat jij een dagdier was.’
‘Niet echt,’ zei de smaragdhagedis, ‘ik ben van alles wat.’
‘Ik wist niet dat dat mocht,’ zei de mol die met zijn ogen knipperde, ‘zou ik nog kunnen ruilen?’
‘Ik weet niet wie met jou wil ruilen,’ zei de nachtzwaluw, enigszins vanuit de hoogte, ‘Maar even iets anders, mol. De hagedis vroeg zich af waarom alles zo onbegrijpelijk is.’
De mol keek hem aan alsof er een roestige mollenklem voor zijn vochtige ogen oprees, en herhaalde: ‘Is alles boven de grond dan zo onbegrijpelijk?’
De hagedis en de nachtzwaluw knikten.
‘Nou, onder de grond is er niets onbegrijpelijks aan.’
Hij schudde zijn hoofd en was weer weg, en gooide nog wat zand naar boven.
Dat ze mochten hebben, hij bleef toch liever mol.
De nachtzwaluw begreep dat de oplossing bij hem vandaan moest komen en zei: ‘Volgens mij, hagedis, ben jij een dromer, en dat is iemand die toebehoord aan datgene wat niet daar is, waar hij is.’
De nachtzwaluw wachtte geduldig tot het muntje bij de hagedis was gevallen en ging verder: ‘Voor een dromer is het verleden de werkelijkheid van niets en de toekomst de mogelijkheid van alles. Dat moet je snappen.’
De smaragdhagedis knikte onzeker, en de nachtzwaluw concludeerde: ‘En die zijn allebei onbereikbaar.’
Het verwarde de hagedis: ‘Dus…’
‘Niet dus… gewoon onbereikbaar, dat is alles.’
‘Kun je er niet meer over zeggen?’ aarzelde de hagedis die in het maanlicht glansde van opwinding, ‘over waar ik ben wanneer ik er niet meer ben?’
De nachtzwaluw schudde zijn hoofd: ‘Daar meer over zeggen is het omslaan van een bladzijde in een boek waar niets instaat.’
De hagedis aarzelde: ‘Alles weggelakt?’
‘Absoluut.’
De nachtzwaluw voegde er een knikje aan toe, en verdween weer in de nacht.
Maar zijn woorden bleven liggen waar ze waren neergelegd.
Jan B. Bouwstra schrijft elke week een fabel voor de website van De Nieuwsbode, die iets te maken heeft met onderwerpen die op dit moment actueel zijn. Meer fabels lezen? Je vindt ze in ons dossier Fabels van Jan B. Bouwstra