
Een fabel: Een medicijn voor de mier
Dieren Fabels van Jan B. BouwstraEen wazige wit-blauwe kleur aan een zich langzaam onthullende horizon kondigde de ochtend aan. De zon verscheen en drong steeds verder door in de dingen, de geluiden van het leven werden luider.
De dieren ontwaakten, wreven hun ogen uit, wasten zich en gingen op zoek naar voedsel.
Behalve de uil, die al uren aan het schrijven was geweest, zonder dat hij merkte wat er om hem heen gebeurde.
Hij schreef elke nacht bij het licht van de maan, aan de afwezigheid van een eigen leven.
De boktor werkte die ochtend zijn lijst met klussen af en inspecteerde de hoogste tak van de populier, waar de uil op zat te schrijven, en concludeerde: ‘Finaal vermolmd uil, je moet verkassen.’
De uil keek verstoord op maar zei niets. Hij had andere dingen aan zijn hoofd.
‘Ik boor het weg voordat er ongelukken gebeuren. Deze tak wordt in beslag genomen.’
De mier was ook naar boven gekropen, met een grasspriet achter zijn oor om alles op te meten, en zei, met één oog dicht de tak taxerend: ‘Maak er snippers van, boktor, voor de verbouwing van mierenhoop-zuid. Ik regel transport.’
De boktor en de mier gingen boren en slepen met de snippers van de populier terwijl de zon steeds hoger boven de bomen uit klom.
Al snel was de boktor buiten adem en de mier nat van het zweet. Want zij leefden door wat ze deden. Het doen was alles, ze werden wat ze wilden door het te doen.
Toen de boktor gebaarde dat het pauze was, ging de mier nieuwsgierig naast de uil zitten die stoïcijns door was blijven schrijven, en hij vroeg: ‘Is jouw boek al bijna af, uil?’
‘Mijn boek is nooit af, mier.’
‘Nooit?’
‘Nee, want het leven is nooit af,’ zei de uil, ‘Het houdt op een dag op zonder af te zijn.’
De mier had zich veel voorgesteld van zijn oude dag, en hij vroeg: ‘Je kunt er geen mooi eind aan breien?’
De uil zuchtte en legde uit: ‘Dit zijn mijn memoires, mier, waarin ik mijn leven als een standbeeld houw uit kalmte en vervreemding, uit fascinatie en verzoening. De grote thema’s in mijn veelbewogen bestaan. Zo ga ik ontdekken wie ik ben.’
‘O zo…’
‘Ja, zo, mier, zo dus.’
‘O zo.’
De mier geloofde het wel en zei: ‘Ik moet weer verder, uil, want ik ben minder veelbewogen. Maar ik denk dat het gezond is voor een dier om iets nuttigs te doen. Kan ik aanraden.’
Het was een gekkenhuis, die dag.
De specht had dienst en hamerde erop los, twee wormen rulden de grond totdat de mol dacht dat hij het beter kon en ze ontsloeg en opat. De veldmuis ruimde eikels en de boktor en zijn broer bleven boren alsof hun leven ervan afhing. En de mier maar rennen.
Ze waren door het dolle heen.
De uil keek ernaar met ogen waarin het licht van de hemel zich verzamelde, en hij onderstreepte zijn laatste zin: bewegen is leven, maar schrijven is overleven.
Hij fladderde met trage slagen naar zijn nieuwe tak, waarna hij naar de mier riep die de schors van zijn oude tak stond af te trekken: ‘Het werken is voor mij geen medicijn, zoals voor jullie.’
‘Werken een medicijn?’ vroeg de mier, ‘waartegen dan?’
‘Tegen het niet-begrijpen van de wereld.’
‘O zo.’
‘Ja zo dus,’ riep de uil.
‘Is ook een mening.’
De uil zuchtte en ging door met schrijven.
Aan zijn dromen, waarvan hij dacht dat het gedachten waren.
Jan B. Bouwstra schrijft elke week een fabel voor de website van De Nieuwsbode, die iets te maken heeft met onderwerpen die op dit moment actueel zijn. Meer fabels lezen? Je vindt ze ons dossier Fabels van Jan B. Bouwstra