
Een fabel: Een recept tegen somber zijn
Dieren Fabels van Jan B. BouwstraEen dicht-grijs wolkendek verscheen aan de hemel om de dag in te zepen met trieste, troosteloze tijd. De mier was de hele ochtend aan het somberen bij zijn mierenhoop en de krekel kwam eens kijken. Om te zien wat somberen was.
Toen de mier de krekel aan zag komen riep hij al uit de verte: ‘Ga maar weg. Ik ben te somber voor bezoek.’
De krekel was zo groen als gras, ging opgewekt naast de mier zitten en zei: ‘Geeft niet, ik vind het gezellig om je in al je somberheid te ontmoeten.’
De mier schudde zijn kopje tussen zijn magere schouderbladen heen en weer. Hij zag er heel erg somber uit en de krekel vroeg: ‘Vertel me alles over jouw somberheid, mier.’
De mier keek hem bedroefd aan: ‘Ik kreeg het ineens, vanochtend. Ik ontdekte dat ik oud was, en ik zag mijn hele leven achter mij liggen, ik kan er met geen mogelijkheid meer bij.’
‘Bij wat er vroeger is gebeurd, mier?’
De mier knikte: ‘Ja. Alles van vroeger voelt als iets wat ik heb gelezen in een boek. Een verhaal dat ik mij herinner, meer is er niet van over.’
‘Een mooi verhaal?’
De mier schudde van nee.
‘Ook niet grappig zeker.’
De mier kromp in elkaar alsof er iets van boven op hem viel en vervolgde: ‘En wat erger is…’
Hij keek schichtig om zich heen: ‘Ik weet niet wat er met mij staat te gebeuren.’
‘Jij weet toch alles, mier.’
De mier zakte door zijn voorpoten heen van somberte: ‘Niet dus. Ik ben op een dag zomaar de wereld in geslingerd, door een of andere vreemde snuiter. En ik word er straks zomaar weer uit weggehaald. En tussendoor is het een soort gevangenis.’
De krekel had zich de somberte van de mier gezelliger voorgesteld, en zei: ‘Dat is geen leuke boodschap, mier.’
‘Het leven is een cel,’ zei de mier, ‘waarin ik mijn dagen doorbreng, een gevangeniscel.’
En hij liet zijn hoofd tot op de grond zakken.
Verder lukte niet.
De krekel krabde aan een kriebel bij zijn buik en zei: ‘Zullen we die cel versieren?’
Maar hij wist het antwoord al.
‘Mij niet gezien,’ reageerde de mier, ‘versier je eigen cel maar, jij denkt nergens over na.’
‘Dat is ook niet makkelijk, mier,’ wierp de krekel tegen met een blos op zijn wangen.
Het was inderdaad zijn zwakke punt.
‘Maar ik heb liever iemand als vriend die in staat is mij door deze verwarrende wereld heen te loodsen,’ bekende de mier, en hij keek mismoedig om zich heen.
En toen voelden ze een windvlaag en hoorden het raspen van een keel, en ze keken om.
‘Ik was toevallig in de buurt,’ zei de uil, ‘en ving iets op.’
`De mier ging rechtop zitten.
‘Want, als ik zo vrij mag zijn…’ zei de uil: ‘denk er niet meer over na, mier.’
‘Waarover?’
‘Over jouw leven,’ zei de uil, ‘want denken staat gelijk aan vernietigen…’
‘Huh?’
De uil stak zijn bruine vleugel op en zei ‘Door erover na te denken ontrafel je de dingen, en daardoor maak je ze kapot.’
De mier knikte en wreef in zijn pootjes.
‘Kijk naar de krekel,’ ging de uil verder, en de mier en de uil keken allebei naar de krekel die opgewekt terugkeek.
‘Die heeft pas een armzalig bestaan, maar denkt er geen seconde over na.’
‘Goed he,’ zei de krekel met een stralend gezicht.
‘Dat is zijn redding. Zou ik ook doen, mier, in jouw geval.’
De mier weifelde even, maar stond op en stak zijn voelsprieten één voor één de lucht in, schopte een paar eikels aan de kant en begon zijn zwarte jack te poetsen tot het glom als een spiegel. Daarna ruimde hij wat naalden op en zong iets binnensmonds.
En hij voelde zijn hart weer kloppen.
De uil had beslist een punt.
Jan B. Bouwstra schrijft elke week een fabel voor de website van De Nieuwsbode, die iets te maken heeft met onderwerpen die op dit moment actueel zijn. Meer fabels lezen? Je vindt ze ons dossier Fabels van Jan B. Bouwstra