Jan B. Bouwstra
Jan B. Bouwstra Eigen foto

Een fabel: Een intelligentie

Dieren Fabels van Jan B. Bouwstra

In het mos onder de oude eik was iets nieuws gebouwd dat opzien baarde. Een piramide-achtige constructie van boomschors, mos en naalden, die de mier nog aan het stutten was. 

De smaragdhagedis keek lang en ernstig naar het bouwwerk, trok een naald uit de constructie waardoor alles in elkaar viel en draaide zich hoofdschuddend om.

De mier zat er niet mee: ‘Bij elke boom zo’n kunstwerk, hagedis, om alle mieren te verheffen.’

De smaragdhagedis viste een mug uit de lucht en keek daarna omhoog naar een hemel waar de wolken doelloos ronddreven en zei: ‘Verheffen tot wat, mier?’

De mier keek ook omhoog.

‘Alleen door leugens is de kunst in staat om zich te handhaven,’ zei de smaragdhagedis terwijl hij de naald op draagkracht testte, ‘Ik bedoel, de kunst is niet meer dan een leugen die de waarheid suggereert.’

De koorts van het creëren begon te zakken bij de mier, en hij zei: ‘Maar ik hou er gewoon van om iets nieuws te maken. Als ik dat doe, dan heb ik het gevoel dat mijn ziel contact maakt met het leven.’

De smaragdhagedis was op dreef: ‘En wat denk jij dat dat is, mier, jouw ziel?’

De mier keek om zich heen om te zien of hij iets zag liggen dat erop leek terwijl de smaragdhagedis zijn hoofd schudde, aarzelde en zei: ‘De ziel van alles, dat is God.’

Het bos werd er stil van.

Totdat de uil breed-benig over het uilenpad kwam aanlopen, en al van een afstand riep: ‘Zal ik iemand sturen om die rommel op te ruimen?’

Hij ging naast de mier en de smaragdhagedis zitten, schonk voor ieder een glas beukenwijn in en zei: ‘Eerst een glas, jongens. Dan vertel ik straks wat ik ervan vind.’

Terwijl ze zaten te praten verdween het geluk van het scheppen van een kunstwerk bij de mier, en hij bekende: ‘Ik zou willen ontsnappen aan alles om mij heen.’

‘Waarom?’ vroeg de uil verbaasd.

‘Om te ontdekken wie ik ben.’

De uil zette zijn glas neer en klakte met zijn tong, het was beslist niet zijn eerste glas die dag, en hij zei: ‘Valt meestal tegen, mier.’

‘Maakt niet uit. Ik wil weten wie of wat er in mij huist.’

De uil legde zijn vleugel op de schouder van de mier en doceerde: ‘Wat ik nu beluister is een goed begin. Dat willen is het begin.’

‘Waarvan?’

‘Van onze reis. Zonder willen is er geen reis. Komen we niet vooruit.’

De mier aarzelde terwijl de uil een boer liet, en op een zalvende toon verkondigde: ‘Maar kijk goed om je heen als je op reis bent. De indrukken in je hoofd zijn als velden vol bloemen, mier, waar je doorheen mag dwalen…’

Ze hoorden in de verte de merel zingen, en dichterbij de krekel tjirpen en de kikker kwaken, en luisterden ernaar, totdat de smaragdhagedis zei: ‘Maar wanneer ik dat doe, uil…’

‘Nou gaan we het hebben,’ zei de uil met een knipoog naar de mier, en de smaragdhagedis vervolgde: ‘Wanneer ik naar mijn indrukken van de wereld kijk en luister, dan zie ik iets dat het denken ontdoet van elk nut, en dat één voor één de bloemblaadjes aftrekt van de gedachte dat ik mij in moet spannen: dan zie ik de oneindige complexiteit van alles.’

En elk schubje van zijn lijf schitterde in het zonlicht bij die laatste zin.

Waarna hij zijn kopje boog, als onderdeel van iets groters, een intelligentie waarmee de wereld was gemaakt en werd doordrenkt.

Jan B. Bouwstra schrijft elke week een fabel voor de website van De Nieuwsbode, die iets te maken heeft met onderwerpen die op dit moment actueel zijn. Meer fabels lezen? Je vindt ze in ons dossier Fabels van Jan B. Bouwstra