
Een fabel: De bizon en de mier
Dieren Fabels van Jan B. BouwstraDe mier rende op zijn magere benen over het bospad voor zijn dagelijkse fitnessrondje, en werd door iedereen begroet zonder dat hij op of om keek. Hij rende door tot langs de bizon, die strak naar de grond keek en de mier niet zag.
Dat was vreemd, en de mier stopte en vroeg: ‘Waarom groet je niet, bizon, zoals iedereen?’
De bizon bleef naar een grasspriet kijken die door de wind bewogen werd, wat hij niet helemaal snapte, en de mier vervolgde: ‘En waarom kijk je niet omhoog naar de wereld om je heen?’
De bizon tilde zijn hoofd een centimeter op en liet het weer zakken, hij zat nog in zijn wintervacht en zag eruit als een grote berg haar met twee horens.
‘Want jouw wereld is zo groot als alles wat je ziet, bizon.’
De bizon tilde zijn hoofd nu iets verder op, om te zien wie daar voor hem stond en concludeerde: ‘Maar alles wat ik zie, is niet de moeite waard, mier.’
‘Kijk je dan wel goed?’
De bizon zei: ‘Misschien wel te goed.’ en hij keek de mier somber aan.
Het bleef lang stil, totdat de bizon uitlegde: ‘Want toen ik vanochtend bij de vijver was en bukte omdat ik dorst had, zag ik mijzelf voor het eerst goed in het water.’
De mier schopte een eikel weg en vroeg: ‘En?’
‘Ik zag het meest droevige dier dat ik ooit heb gezien.’
De bizon zag er inderdaad wat droevig uit, en hij zei: ‘Al die jaren daarvoor zag ik mijzelf alleen door de ogen van anderen, en die vonden mij indrukwekkend. Maar nu ik door mijn eigen ogen keek vond ik mijzelf niet indrukwekkend.’
‘Maar droevig,’ zei de mier.
Dit was een gesprek dat wel even ging duren, en de mier kraakte een tamme kastanje om op te eten, en ging erbij zitten en vroeg of de bizon ook een stukje wilde.
‘De kleinste helft,’ zei de bizon, ‘er moeten een paar kilootjes af.’
Ze deelden hun kastanje en de mier zei: ‘Je moet nooit meer in de vijver kijken, bizon. Spiegels vergiftigen ons zelfvertrouwen.’
‘Ik raakte er wel van in de war,’ gaf de bizon toe, en hij snoof aan de kastanje, om te ruiken of er niet op was geplast. Want dan hoefde hij hem niet.
‘Hoe wij onszelf zien is niet belangrijk,’ zei de mier, ‘daarom zijn wij zo gemaakt dat we niet in onze eigen ogen kunnen kijken, en niet ons eigen gezicht kunnen zien.’
‘Jammer.’
‘Helemaal niet jammer. Want het enige dat ertoe doet is hoe anderen jou zien.’
De bizon tilde zijn hoofd verbaasd op.
‘Wat anderen van jou zien en vinden, dat is de plek die jij inneemt in de wereld,’ zei de mier op besliste toon. En hij tikte erbij met zijn voorpoot op de grond.
‘Zou het?’
‘Natuurlijk, dat is het enige van jou dat achterblijft wanneer jij er niet meer bent.’
De bizon vond het idee om er niet meer te zijn onprettig en zei: ‘Dat is dan een flinke eter minder.’
‘Nee, dat is dan een bizon minder, die een grote leegte achterlaat.’
En eindelijk keek de bizon omhoog.
Hij zag de zon, haar licht dat zuiver en volmaakt op de bladeren van de beuk viel.
En hij voelde haar warmte door alles heen.
Jan B. Bouwstra schrijft elke week een fabel voor de website van De Nieuwsbode, die iets te maken heeft met onderwerpen die op dit moment actueel zijn. Meer fabels lezen? Je vindt ze ons dossier Fabels van Jan B. Bouwstra