
Een Fabel: Onbewust bestaan
Dieren Fabels van Jan B. BouwstraDe olifant en de neushoorn stonden op de berg te kijken naar de hemel boven hen en de olifant schudde zijn logge hoofd en zei: ‘Zie je hoe hoog die wolken zijn, en hoe traag ze bewegen.’
De neushoorn kneep zijn ogen toe om iets te zien, maar hij was meer een denker dan een ziener, en zei: ‘Alles wat hoog is drijft over en gaat voorbij, Ollie. Het zijn allemaal onbekende waarheden, ze trekken verder.’
Er was genoeg gezegd, en ze hadden honger gekregen van het beklimmen van de berg eerder die dag, en begonnen alles kaal te grazen. De neushoorn bewoog daarbij al etend langzaam richting ravijn, tot de olifant op een holletje aan kwam rennen: ‘Even iets minder naar links, Neus.’
De ijle lucht daarboven zorgde voor een filosofische stemming bij de neushoorn: ‘Ik zoek altijd de rand op van de gebieden waar ik mij thuis voel, Ollie, zodat ik niet alleen van het vertrouwde landschap proef, maar ook van de wijde ruimtes die zich daar omheen bevinden.’
De olifant keek in de afgrond en stelde voor om maar even te pauzeren.
De neushoorn vroeg: ‘Heb jij je trouwens niet afgevraagd waarom ik je mee hier naartoe heb genomen, Ollie?’
De olifant kwijlde een beetje en zei: ‘Misschien omdat op deze hoogte het lekkerste gras van de hele wereld groeit?’
De neushoorn schudde zijn hoofd. Hij ergerde zich soms aan die eenzijdige kijk op de wereld van de olifant maar bleef geduldig: ‘Nee. Wij zijn hier om de waarheid onder ogen te zien.’
Daar was de olifant uit zichzelf niet opgekomen.
De neushoorn vervolgde: ‘En de waarheid is…’
Ze hoorden iets ritselen, en zagen de schildpad blij op hen af komen wandelen door het gras, het was een hele klim geweest, en hij had niet gedacht hierboven nog een levende ziel aan te treffen.
‘De waarheid is dat we hier slechts korte tijd verblijven, Ollie, het is maar een flits.’
De neushoorn likte zijn lippen af met zijn tong, maar de betekenis van zijn woorden was niet tot de olifant doorgedrongen, want de olifant vroeg: ‘Waar bedoel je met hier… even een hint, Neus…’
‘Onder de blauwe hemel, Ollie.’
‘Hier op de berg?’
‘Nee, in dit leven. We zitten in een wachtkamer, jij en ik, totdat de bus ons op komt halen.’
De olifant begreep niet waar de neushoorn naartoe wilde, en zag ineens een vlinder die gevaarlijk dicht bij het ravijn fladderde.
De neushoorn ging onverstoorbaar verder: ‘En de belangrijkste vraag die wij ons moeten stellen is, wat doen we dan tijdens ons korte verblijf op aarde.’
‘Voordat de bus ons komt halen?’
De neushoorn knikte, en de olifant probeerde: ‘Misschien nog een hapje eten?’
‘Huh?’
‘Ja, als we straks in die bus zitten, moet je nog maar zien wat je krijgt.’
De neushoorn ergerde zich groen en geel maar hield zich in. Het was dat beperkte bij de olifant, dat kortzichtige, waar hij niet tegen kon, hij werd er moedeloos van.
De schildpad had meegeluisterd en tilde zijn voorpoot op en zei: ‘Zie je die vlinder fladderen, neushoorn.’
De neushoorn knikte: ‘Pak jij hem of pak ik hem.’
Maar de schildpad schudde zijn hoofd en zei: ‘Die vlinder laat zien wat we doen, tijdens ons korte verblijf hier.’
Ze volgden de vlinder die eindeloos blij was met een boterbloem en met een alpenroos en met de lucht waar hij in baadde.
Maar het duurde de olifant te lang en hij ging weer grazen.
De schildpad zag het en vroeg: ‘Weet je waarom we zo gretig grazen tijdens die flits van ons bestaan, neushoorn?’
De neushoorn keek hem aan.
De schildpad zei: ‘Omdat dit ons enige huis is.’
De neushoorn voelde zijn buik weer rammelen, en meldde zich bij de olifant die inschikte.
De schildpad keek naar beide grote grazers die gretig hapten in het gras, zonder nog ergens over na te denken.
Dat onbewuste was de basis, bedacht de schildpad, van het hele bestaan.
Want als het hart kon denken… dan stond het stil.
Jan B. Bouwstra schrijft elke week een fabel voor de website van De Nieuwsbode, die iets te maken heeft met onderwerpen die op dit moment actueel zijn. Meer fabels lezen? Je vindt ze ons dossier Fabels van Jan B. Bouwstra